De Founding Fathers en de belangrijkste Amerikaanse presidenten

Verslag van een collegeavond tijdens de Maand van de Geschiedenis
Door: Berith van Pelt

Collegeavond Amerikaanse presidentsgeschiedenis

Oktober stond met de Maand van de Geschiedenis in het teken van Grenzen. Het Historisch Nieuwsblad besteedde daar aandacht aan met een collegereeks over de Amerikaanse presidentsgeschiedenis, natuurlijk zeer actueel in het licht van de presidentsverkiezingen die toen voor de deur stonden. Het eerste deel van deze collegereeks, dat op 11 oktober plaatsvond, behandelde de Founding Fathers en de belangrijkste Amerikaanse presidenten uit de geschiedenis. Ik was daar, als Amerikaanse presidentenleek, bij aanwezig.

De Founding Fathers

De collegeavond werd gehouden in het Compagnietheater in Amsterdam, waar wij als luisteraars vanuit comfortabele stoelen neerkeken op de sprekers op het podium. Amerikanist en journalist Frans Verhagen beet het spits af met zijn college over de Founding Fathers.

Verhagen begint zijn verhaal in het Noord-Amerika van voor de onafhankelijkheid, toen het land verdeeld was in koloniën. Hij neemt ons in razend tempo mee door de Amerikaanse geschiedenis tussen 1750 en 1810, te beginnen bij George Washington, van wie wel gezegd wordt dat hij de veroorzaker is van de Frans-Indiaanse oorlog tussen Frankrijk en Engeland die van 1756 tot 1763 in Amerika woedde en die eindigde in het voordeel van de Engelsen. Vervolgens brengt hij duizendpoot Benjamin Franklin ten tonele, de politiek geëngageerd drukker en uitvinder die in 1754 al opriep tot een samenwerkingsverband tussen de koloniën, maar toen nog geen gehoor kreeg.

Als in 1760 koning George III in Engeland aan de macht komt, ontstaat er in Amerika een eerste geluid in de richting van onafhankelijkheid. De Stamp Act, de belastingwet op gedrukte producten, die George III in 1765 doorvoert leidt tot protest – ‘No taxation without representation’. Enkele jaren later komt het zelfs tot een eerste gewelddadig conflict tussen de burgers en Georges militairen, de Redcoats. Na deze Boston Massacre, die met 7 doden in hedendaagse begrippen niet ontzettend veel voorstelt, komt John Adams in beeld, die de militairen verdedigt in het proces dat volgde op de confrontatie en die vrijspraak voor enkele militairen bewerkstelligt.

Natuurlijk kan in dit relaas over de weg naar Amerikaanse onafhankelijkheid de Boston Tea Party van 16 december 1773 niet ontbreken. Want hoewel dit protest voornamelijk uit egoïstische redenen voortkwam, laat het wel zien dat een onafhankelijk Amerika een steeds realistischer beeld wordt. Toch is de onafhankelijkheid tijdens het First Continental Congres in 1774 nog niet het uitganspunt; het congres hield zich meer bezig met de vraag hoe er met de Engelse overheersing moest worden omgegaan. Dit had echter niet het gewenste effect en toen na enkele gewelddadige confrontaties in 1776 het  Second Continental Congres werd gehouden, werd besloten dat Amerika onafhankelijk moest worden.

Thomas Jefferson schrijft daartoe de Declaration of Independence, die op 4 juli 1776 wordt voorgelezen. Daarmee wordt Amerika onafhankelijk verklaard, maar aan de onafhankelijkheidsoorlog zal pas met het Verdrag van Parijs in 1783 een einde komen. Na de oorlog wordt George Washington, die tegen de Engelsen gevochten had, de eerste president van Amerika. Volgens Verhagen was er echter pas sprake van een échte revolutie toen de staten hun eigen grondwetten gingen opstellen en toen het Republikeinse denken en het individualisme hun intrede deden.

De confederatie leidt in 1787 tot een grondwetsverandering door James Madison en Alexander Hamilton, waarin het Republikeinse systeem vorm krijgt en de Amerikanen plots ‘we the people’ zijn. Zij maakten bovendien in hun Federalist Papers de noodzaak van een grondwet duidelijk.

Ten slotte presenteert Verhagen als laatste Founding Father John Jay, de voorzitter van het congres van de confederatie en de eerste rechter in het Supreme Court. Hij besluit zijn verhaal met een heel kort overzicht van hoe het verder ging na de onafhankelijkheid: de revolutie in 1800 waarbij de oppositie aan de macht kwam en de politieke onenigheden die er uiteindelijk voor zorgden dat de groep Founding Fathers uit elkaar viel.

De vijf belangrijkste Amerikaanse presidenten

Na een korte pauze nam universitair hoofddocent Jaap Verheul het stokje over. Hij liet ons in minder dan een uur kennismaken met de vijf belangrijkste presidenten uit de Amerikaanse geschiedenis. Hij maakte meteen duidelijk dat er geen eenduidig lijstje bestaat van belangrijkste presidenten; uit verschillende peilingen komen verschillende resultaten naar voren. Verheul koos voor presidenten die het presidentschap, de relatie tussen de burger en de overheid en de rol van de Verenigde Staten in de wereld hebben veranderd en die daarmee iets achtergelaten hebben dat tegenwoordig nog steeds relevant is.

Verheul begint zijn lijstje met Thomas Jefferson, de schrijver van de onafhankelijkheidsverklaring die ook een van de Founding Fathers was. Zijn idee dat ‘all men are created equal’ was revolutionair, zowel in Amerika als in de rest van de wereld. Hij draaide de verhouding tussen de vorst en de burgers om en streefde dus naar een zo klein mogelijke overheid. En hoewel Jefferson als president niet altijd handelde volgens zijn eigen filosofie, heeft hij vooral met de onafhankelijkheidsverklaring een belangrijke erfenis achtergelaten.

Nummer twee op het lijstje van Verheul is ‘oorlogspresident’ Abraham Lincoln. Een oorlogspresident omdat zijn verkiezing leidde tot een oorlog met Zuiden en omdat hij tijdens zijn presidentschap geen vrede in het land heeft kunnen brengen. Lincoln wordt graag herinnerd als voorvechter voor het afschaffen van de slavernij, maar hij streefde dit ideaal slechts na omdat het in het voordeel van de eenheid binnen Amerika was, zoals hij zelf ook heeft benadrukt.

De volgende in de top vijf is Woodrow Wilson, een president die niet per se om zijn positieve idealen op de lijst terechtgekomen is. Zijn ideaal dat Amerika de wereld zou verbeteren bracht het land in haar eerste buitenlandse oorlog.

Ook Franklin Delano Roosevelt komt op het lijstje voor. Hij was de eerste en enige president die maar liefst vier termijnen geregeerd heeft en heeft daarbij volgens Verheul een wonder verricht door in bijna alle staten als winnaar uit de verkiezing te komen. Maar niet alleen daarom is hij belangrijk geweest. Roosevelt sleurde de democraten naar de andere kant van het politieke spectrum en voer een nieuwe koers van burgerrechten en liberalisme.

De hekkensluiter is Richard Nixon. Ook hij heeft zijn plaats in de lijst niet veroverd door de vele successen die hij geboekt heeft. Integendeel, hij heeft juist op het punt dat hij zelf zo belangrijk vond het sterkst gefaald: zijn buitenlandse politiek. Verheul bestempelt Nixon als ‘de meest op macht beluste president uit de Amerikaanse geschiedenis’.

De eerste collegeavond was een enerverende avond waarop twee ervaren sprekers een enorme hoeveelheid informatie over hun luisteraars uitstorten. Desondanks hielden beide sprekers een interessant pleidooi en boden ze beide ruimte voor vragen vanuit het publiek. De colleges volgden elkaar logisch op en het Compagnietheater in Amsterdam voegde extra sfeer toe aan een toch al gemoedelijke avond.