Afbeelding bij verslag Zenobiacongres

Mohammed en het Einde van de Oudheid

Mohammed en het Einde van de Oudheid

Een verslag van het tiende Zenobiacongres

Afbeelding bij verslag ZenobiacongresOp zaterdag 14 november vond op de UvA het tiende Zenobiacongres plaats over Mohammed en het einde van de oudheid. Dit onderwerp was door de afschuwelijke aanslagen in Parijs van de dag ervoor helaas om de verkeerde redenen weer erg actueel geworden. Om de verkeerde redenen; enerzijds omdat er zoveel andere redenen zijn waarom de vroege geschiedenis van de islam interessant is en anderzijds omdat zowel de terroristen als de islamofoben hierdoor, om hun politieke agenda te rechtvaardigen, de geschiedenis misbruiken. Dat laatste is helaas iets van alle tijden en alle culturen. Desalniettemin bleef het op het Zenobiacongres grotendeels wetenschappelijk en beschouwend van aard.

Door: Daan Nijssen

Sinds de oprichting van Stichting Zenobia in 2008 zoekt men in de themacongressen de grenzen op van de Oudheid: de grenzen tussen oost en west, tussen oud en nieuw, tussen Oudheid en Middeleeuwen. Het onderwerp ‘Mohammed en het Einde van de Oudheid’ omvat zelf bijna elke denkbare breuklijn. De opkomst van de islam lijkt een oosterse aangelegenheid, maar heeft ook het Westen sterk gevormd; de opkomst van de islam bracht veel nieuws, maar greep ook terug op het verleden; en tot slot bevindt het leven van Mohammed zich op de grens van wat doorgaans ‘de Oudheid’ en ‘de Middeleeuwen’ wordt genoemd. Hierdoor valt de periode waarin de islam opkwam net buiten de specialisatiegebieden van verschillende specialisten. Ondanks dit alles heeft Stichting Zenobia toch acht specialisten van verschillende achtergronden bijeengebracht om hun kennis met ons te delen. Hieronder volgt een samenvatting van de hoogtepunten.

De islam ontstond op het Arabisch Schiereiland. Op het eerste gezicht leek dit een afgelegen gebied van weinig belang. Er waren wel wat koninkrijkjes in Jemen en karavaansteden in de Hedjaz, maar echte wereldrijken waren er nooit ontstaan. Dit beeld leefde wellicht ook bij de Byzantijnen en de Perzen, die nooit hadden verwacht dat de Arabieren hun ondergang zouden inluiden. Toch blijkt het Arabische Schiereiland bij nadere inspectie helemaal niet zo geïsoleerd te zijn geweest. Het lag immers op de Wierookroute, een handelsroute die Mesopotamië, de Levant en Jemen met elkaar verbond en zich overzee ook uitstrekte tot Oost-Afrika en het Indische subcontinent. Daarnaast bleek het pre-islamitische Arabië ook al een rijke literaire traditie te hebben gehad, zoals Arabist Ahmed al-Jallad in zijn lezing demonstreerde. Niet alleen de stedelijke elites, maar ook de bedoeïenen waren geletterd. Zij hebben in het noorden van het Arabische Schiereiland vele rotsinscripties achtergelaten met religieuze boodschappen, die qua taal en stijl erg aan de Koran doen denken.

Mohammed

Over het optreden van Mohammed zelf en de achtergrond van de islam zijn sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw veel alternatieve hypotheses voorgesteld. Een groot deel van onze kennis hierover is namelijk nog altijd afkomstig uit islamitische bronnen. Historica Josephine van den Bent behandelde een aantal van deze hypotheses, zoals de ‘Hagarism’-hypothese van Crone & Cook, die stelde dat de islam ontstaan was uit een messiaanse beweging onder monotheïstisch Arabieren die samen met de joden het Heilige Land op de Byzantijnen wilde veroveren. Vanwege een conflict tussen de joden en de Arabieren gingen de Arabieren hun eigen weg, wat ook de anti-joodse retoriek in de Koran zou verklaren. Ook de hypothese van Luxenberg kwam aan bod. Hij stelde dat de Koran grotendeels bestond uit christelijke hymnen in een Aramees-Arabische mengtaal. Deze hypothese is vooral bekend vanwege de conclusie dat met de paradijselijke maagden eigenlijk witte druiven bedoeld zouden zijn. Hoewel deze hypotheses relevante vragen over het bronmateriaal behandelen, zijn ze volgens Van den Bent zelf te speculatief om het traditionele islamitische beeld te verwerpen. Dat er een profeet heeft bestaan die Mohammed heette en dat deze in Mekka en Medina een boodschap predikte die afweek van de gevestigde godsdiensten staat volgens haar buiten kijf.

De indrukwekkende successen die de ‘heidense’ Perzen behaalden tegen het christelijke Byzantijnse Rijk leidden bij veel christenen tot eindtijdverwachtingen

Dat de historische feiten die genoemd worden in de islamitische bronnen grotendeels kloppen, wil nog niet zeggen dat er geen interessante nieuwe inzichten mogelijk zijn over het leven van Mohammed en de opkomst van de islam. Juist door naar de historische, culturele en politieke context te kijken kan men dit fenomeen beter begrijpen. Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas, van oorsprong astronoom, schreef een boek over het leven van Mohammed en belichtte daaruit enkele van zijn eigen hypotheses. Volgens hem heeft de oorlog die er tussen 602 en 628 tussen de Byzantijnen en de Perzen woedde grote invloed gehad op Mohammed. De indrukwekkende successen die de ‘heidense’ Perzen behaalden tegen het christelijke Byzantijnse Rijk leidden bij veel christenen tot eindtijdverwachtingen. Men geloofde namelijk dat het Romeinse (=Byzantijnse) Rijk het vierde rijk was dat voorspeld was door de profeet Daniel. De val van dit rijk zou de Apocalyps inluiden. Toen de Perzen in 610 een vredesvoorstel van de Byzantijnse keizer verwierpen werd het voor veel christenen duidelijk dat de Perzen uit waren op de totale vernietiging van het Byzantijnse Rijk. Toevallig begon Mohammed net in hetzelfde jaar met prediken. Het jaar 614, waarin de Perzen de heilige stad Jeruzalem veroverden, valt bovendien (toevallig?) samen met de vlucht van veel van Mohammed’s volgelingen naar het christelijke Ethiopië. Mogelijk vluchtten zij voor de Perzen, die nu Mesopotamië, de Levant en Jemen beheersten. De jaartallen vallen inderdaad mooi samen. De hypotheses zijn inderdaad speculatief, maar nodigen uit tot verder onderzoek.

Waarschijnlijk trachtte men de Arabieren te passen in een Apocalyptische verwachtingspatroon waarin wrede volken elkaar op zouden volgen

De ideeën van theoloog Wido van Peursen sloten goed aan op de Apocalyptische hypothese van Hulspas. Hij belichtte enkele christelijke pseudoprofetieën uit de zevende eeuw waarin de komst van de Arabieren ‘die zich aan het verbond van Abraham houden’ wordt voorgesteld als één van de calamiteiten die vooraf zou gaan aan de Apocalyps. Na de Arabieren zouden Gog en Magog de wereld nog terroriseren en daarna zou Christus terugkeren. De Arabieren worden in deze teksten beschreven als moordenaars en verkrachters die de meest gruwelijke misdaden begaan. In hoeverre dit op waarheid is gebaseerd is de vraag. Waarschijnlijk trachtte men de Arabieren te passen in een Apocalyptische verwachtingspatroon waarin wrede volken elkaar op zouden volgen. Andere historische bronnen, inclusief christelijke, vermelden juist dat de Arabische machtsovername grotendeels vreedzaam verliep. Interessant aan de christelijke pseudoprofetieën is dat verschillende christelijke sekten elkaar de schuld geven van de successen van de moslims. De monofysische christenen uit Syrië zagen de Arabische veroveringen als goddelijk straf voor de chalcedoonse Byzantijnen, die de monofysieten vervolgden, de nestorianen gaven zowel de chalcedoonse Byzantijnen als de monofysische Syriërs de schuld, omdat beide groepen de nestorianen vervolgden, en de Byzantijnen zagen de Arabische veroveringen als een goddelijke afrekening met de ketterse monofysieten en nestorianen.

Het Einde van de Oudheid

Aangezien het Zenobiacongres niet alleen over Mohammed ging, maar ook over het einde van de Oudheid, stonden verschillende sprekers stil bij de vermenging van de oude wereld van de Grieken, Romeinen en Egyptenaren en de nieuwe wereld van de Arabische moslims. Arabiste Petra Sijpesteijn behandelde de gevolgen van de Arabische veroveringen in Egypte aan de hand van Griekse, Koptische en Arabische papyrusrollen. Deze papyrusrollen vullen een lacune in het historische bronmateriaal op. Uit de teksten blijkt dat het dagelijks leven in Egypte grotendeels onverstoord verderging en dat de meeste beambten gewoon hun positie konden behouden. Het enige wat veranderde was dat er garnizoenen van Arabische moslims in de steden werden gevestigd en dat de christenen hun brieven niet langer mochten ondertekenen met ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’, omdat de moslims dit als veelgoderij zagen.

Uit papyrusrollen blijkt dat het dagelijks leven in Egypte grotendeels onverstoord verderging 

Kunsthistorica Luit Mols behandelde de vroeg-islamitische architectuur in Syrië. De befaamde Omayyadenmoskee stond hierbij centraal. Dit gebouw was oorspronkelijke een Aramese tempel gewijd een Baäl Haddad, werd na de Romeinse veroveringen omgebouwd tot een typisch Romeinse tempel gewijd aan Jupiter Damascenus, werd vervolgens door de christenen omgedoopt tot een Romaanse basiliek en werd ten slotte in gebruik genomen als moskee. Voordat het gebouw definitief tot moskee uitgeroepen werd, baden christenen en moslims er gebroederlijk samen. De laat-Romeinse architectuur is in het gebouw nog goed te zien, ondanks de toegevoegde koepels en minaretten.

Archeologe Joanita Vroom ging tenslotte in op de gevolgen van de Arabische veroveringen op het Byzantijnse kernland. Lange tijd ging men er, mede vanwege een gebrek aan schriftelijke bronnen, vanuit dat de periode 650-950 een duistere periode was voor het Byzantijnse Rijk. Desalniettemin blijkt uit archeologische onderzoek in Griekenland en Albanië dat deze gebieden in deze periode nog volop handel dreven met het hele oostelijke Middellandse Zeegebied.

We sluiten af met de toespraak van oriëntalist Kevin van Bladel, die op het congres als ‘keynote lecturer’ overigens de eerste spreker was. Van Bladel ging in op de vraag hoe het mogelijk is dat het Arabisch, een taal van bedoeïenen, de oude en wijdverbreide talen van het Oude Nabije Oosten kon verdringen. Het Aramees, het Koptisch, het Grieks: allemaal moesten ze wijken voor het Arabisch en zelfs christenen en joden namen deze taal over. Een gangbare hypothese is dat de rol van het Arabisch als rijkstaal hieraan heeft bijgedragen, maar er zijn veel voorbeelden te bedenken waarin een rijkstaal niet zo’n vergaande invloed had. De Achaemenidische Perzen namen het Aramees, dat door een groot deel van hun onderdanen gesproken werd, over als rijkstaal en de hellenistische koninkrijken wisten wel de lokale elite tot de Griekse cultuur te ‘bekeren’, maar niet het gewone volk.

Met de Arabisering van het Nabije Oosten zijn we aangekomen bij een belangrijke breuk met de Oudheid

De Romeinen slaagden er wel in hun taal en cultuur op te leggen in de westelijke delen van hun rijk, maar dit was omdat de Romeinen in deze gebieden de ‘pioniers van beschaving’ waren. In het oosten van het Romeinse Rijk bleef het Grieks dan ook de voertaal. Van Bladel had zelf ook niet een allesomvattende verklaring, al had hij interessante ideeën over de rol van netwerken, waarlangs taal en andere culturele gebruiken zich via centrale personen verspreiden naar de rest van het volk. Met de Arabisering van het Nabije Oosten zijn we aangekomen bij een belangrijke breuk met de Oudheid. De verspreiding van de islam en de Arabische cultuur luidden voor deze regio een nieuw tijdperk in, waarin de Arabische etniciteit en het islamitische geloof een centrale rol spelen in het bepalen van de identiteit van de regio.


Meer over Stichting Zenobia vind je op hun website.