Draaiorgel

Bij Utrecht Centraal kwam ik er weer eentje tegen: een draaiorgel. Het stond onderaan een roltrap, zodat iedere reiziger het bekende schuddende blikje onder de neus geduwd kreeg. De schudders waren een wat oudere man en een jonge vrouw. Ik had ze met liefde wat muntjes gegeven, maar ik had haast en liep in een rechte lijn door naar de sneltram.

Als jochie van zo’n jaar of zes, zeven vond ik draaiorgels fantastisch. Die enorme, statige apparaten waren altijd helemaal versierd en er waren poppen die meebewogen op de muziek. En laten we vooral de muziek zelf niet vergeten. Het mochten dan geen muzikale hoogstandjes zijn, het bleven toch verdomd vrolijke deuntjes.

Oude mannetjes en schuddende blikjes

Voor het orgel stond altijd zo’n grijnzend mannetje met barretje, en mijn ouders duwden dan altijd vijftig cent in mijn handen. Die mocht ik geven aan het mannetje. En zo had ik dan mijn goede daad van de dag verricht. Wat mij opviel, was dat de mannetjes bij werden gestaan door jonge assistenten (waarschijnlijk kleinkinderen) en dat de mannetjes op den duur verdwenen. Ik zeg niet dat ze helemaal zijn verdwenen, maar ze laten zich toch steeds minder vaak zien. En dat terwijl ik het juist wat voor de oudere mannetjes vind om zo te staan bij een draaiorgel. Het heeft iets van een langlopende traditie die door de jeugd toch niet begrepen wordt. En laten we wel wezen: wie gaat er tegenwoordig nog uren staan schudden met zo’n blikje, in de hoop dat een gulle omstander je vijftig cent geeft?

Bij de halte keek ik nog een keer naar het draaiorgel en de man en vrouw. Misschien, als ik weer naar huis ga, dat ik ze toch nog vijftig cent geef. Heb ik toch weer een goede daad verricht vandaag.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *