Wetenschap en desinformatie?

Als een oudhistoricus op de televisie zou uitleggen hoe het hersenonderzoek moest, zal iedereen hem uitlachen. Als hersenonderzoeker Dick Schwab, de auteur van Wij zijn ons brein, bij het televisieprogramma ‘Zomergasten’ uitlegt hoe we het verhaal over Mozes’ visioen op de berg Horeb moeten interpreteren, laat interviewer Jelle Brandt Corstius hem gewoon begaan. Dat is omdat oudhistorische opleidingen helemaal nergens toe dienen. Iedereen weet dat ze er alleen zijn om oogkleppen te ontwikkelen, waardoor oudhistorici niet langer zien dat je heel simpel tot sensationele wetenschappelijke inzichten kunt komen door bijvoorbeeld de Bijbel letterlijk te nemen. Hersenonderzoekers snappen oude geschiedenis veel beter dan de oudhistorici. Iedereen kan bijdragen aan de oudheidkunde, behalve de oudheidkundigen.

Jona Lendering

Althans, die indruk krijg je nogal eens. Het is mij een raadsel waar de onderschatting van het oudheidkundig specialisme vandaan is gekomen, maar het is behoorlijk irritant. Dezelfde wetenschappers die (terecht) opmerken dat het Scheppingsverhaal en de Zondvloedsage niet gaan over historische gebeurtenissen, denken wél dat Mozes op een
berg God heeft aanschouwd, of ze publiceren rond kerstmis stukjes over de blijkbaar prangende vraag welk natuurverschijnsel de wijzen uit het Oosten toch naar Betlehem kan hebben geleid

Ik denk dat er geen discipline is waar zo’n enorme wolk van feitelijke onwaarheden omheen hangt. Oudhistorici klagen vaak over pseudohistorici, waarvan ze stellen dat die moeten worden bestreden. Daarom, zeggen ze, moet er goed worden gepopulariseerd. Waarom ze dat vervolgens niet doen, is eveneens een raadsel, maar dit wil ik nu even laten voor wat het is. Ik wil in plaats daarvan de vraag stellen of pseudogeschiedenis wel zo’n ernstig probleem is.

Pseudowetenschap

Een misverstand over de Oudheid dat én redelijk bekend én makkelijk te ontmaskeren is, is het verhaal over de Griekse ingenieur Archimedes, die tijdens de belegering van Syracuse in 212 v.Chr. Romeinse oorlogsschepen zou hebben vernietigd met behulp van brandspiegels. Sterke verhalen verdienen een zekere populariteit, maar deze anekdote is zo absurd dat niemand die ze allemaal op een rij heeft, haar voor waar zal aannemen. De Grieken en Romeinen zelf geloofden het verhaal in elk geval niet, want ze reppen in hun verslagen van de belegering niet van het wapen. Het is dan ook een Byzantijns sprookje, dat al is doorgeprikt toen de optica ontstond. René Descartes (1596- 1650) wist bijvoorbeeld dat de benodigde spiegels onhandelbaar groot hadden moeten zijn. Moderne experimenten bewijzen bovendien dat zelfs als Archimedes zulke spiegels had kunnen slijpen, de Romeinen zo voorkomend hadden moeten zijn hun schepen precies in het brandpunt stil te leggen. Op volle zee.

Archimedes’ brandspiegel is een schoolvoorbeeld van de eerste foutensoort, pseudowetenschap: naïef gebruik van bronnen gecombineerd met gebrek aan kennis van de natuurwetenschappen. De mysterieuze krachten van de piramiden, de alleen aan de Mesopotamiërs bekende planeet Niburu en de ondergang van Atlantis zijn andere voorbeelden. Er zou een grappig boek over te schrijven zijn, ware het niet dat er academische oudheidkundigen zijn die de realiteit van het wonderwapen veronderstellen. Ze zouden er verstandiger aan doen de mythe te bestrijden, want dan hadden we in de zomer van 2010 niet hoeven lezen hoe een medewerker van de Universiteit van Napels de fysische onmogelijkheid van Archimedes’ wapen trachtte te verhelpen met de aanname dat de Griekse ingenieur eigenlijk een stoomkanon had ontworpen. Ik verzin dit ook niet.

 

Slordig denken

Codex Banner 2

Een tweede type fout kan worden omschreven als ‘slordig denken’. Dit kan zich op allerlei manieren uiten, maar het pijnlijkst is het als oudheidkundigen zondigen tegen de regels van de argumentatieleer, die immers behoren tot het belangrijkste antieke erfgoed. Een voorbeeld is de redenatiefout die bekend is komen staan als plurium interrogationum, de meervoudige vraagstelling (‘assumptive question’). Zo bestaat er een publicatie met de vraagstelling waaruit de grootsheid van Homeros’ poëzie bestaat. Daarin worden twee vragen gecombineerd, namelijk óf de poëzie groots is, en – zo ja – waaruit die voortkomt. Dat het positieve antwoord op de eerste vraag wordt aangenomen, suggereert vooringenomenheid.

Een specifieke vorm van slordig denken is ongecijferdheid, het onvermogen om te gaan met kwantiteiten. Dit kan het beste worden uitgelegd aan de hand van triviale voorbeelden, die iedereen begrijpt. Zo is er de klassiek archeoloog die voorrekende dat er in het Rome van de Koningstijd 8918,9 kinderen en 2318,9 ouderen woonden, op een bevolking van in totaal 17 837,8 zielen. Een andere oudheidkundige stelde een oppervlakte van dertig iugera gelijk aan negen hectare, en in de volgende zin 500 iugera aan 125 hectare. Hoeveel mensen zullen zich hebben afgevraagd wat er valt te leren van iemand voor wie het verschil tussen 0,30 en 0,25 te ingewikkeld is?

Serieuzere voorbeelden zijn te vinden in analyses van het uitsterven van senatoriële families, de beurs van Babylon (waar werd gespeculeerd met rechten op delen van toekomstige oogsten) of de waarschijnlijkheid van 14C-dateringen. Steeds opnieuw blijken oudheidkundigen te gemakkelijk over statistische problemen heen te stappen.

Slordig denken kan ook samenhangen met gebrek aan kennis van de geschiedtheorie. Het bronnentekort stelt aan de bewijsvoering specifieke eisen, waaraan een oudheidkundige moet voldoen. Er zijn in de voorgaande paragrafen al verschillende voorbeelden
gegeven van theoretisch niet onderbouwde ideeën, inclusief de belangrijkste: onberedeneerde vergelijkingen tussen toen en nu. Dan komen de grenzen van de vergelijkbaarheid in zicht, en iedereen die zijn eerste jaar sociologie of culturele antropologie heeft afgerond, herkent dat er appels en peren worden vergeleken. Een ander voorbeeld is de welbekende constatering dat de culturen van het oude Nabije Oosten despotisch waren, dat de ware vrijheid in Griekenland is ontdekt en dat de wereldgeschiedenis tot nu toe de geschiedenis is van de strijd tussen Oost en West: elke eerstejaarsstudent geschiedenis herkent het ontologisch holisme.

We zouden deze foutencategorie ‘kwakgeschiedenis’ kunnen noemen om haar te onderscheiden van pseudogeschiedenis. Waar de pseudowetenschapper slechte kennis van de natuurwetten combineert met slecht brongebruik, houdt de kwakhistoricus de schade nog enigszins binnen de perken door althans de natuurwetten te respecteren. Hij oogt wat serieuzer, maar door gebrek aan theoretische scholing interpreteert hij de bronnen niet altijd goed genoeg.

 

Overdrijving

De derde categorie fouten is de schromelijke overdrijving. Dit is eigenlijk een speciale vorm van slordig redeneren, namelijk opzettelijk. In de zomer van 2011 vernamen we – onder veel meer – dat het graf van keizer Caligula zou zijn gevonden (alleen een standbeeld bij een van zijn buitenverblijven), dat er een loden boek was ontdekt met vroegchristelijke teksten (het bleken vervalsingen), dat de Perzen bij hun belegering van Doura Europos gifgassen zouden hebben benut (oud nieuws), en dat ‘intrigerend nieuw onderzoek’ suggereerde dat het Pantheon bedoeld zou zijn geweest als zonnewijzer (algemeen bekend). Het is geen toeval dat hier alleen archeologisch nieuws staat genoemd, want archeologische persberichten dienen vaak om te hengelen naar fondsen, en dan is een vette overdrijving nuttig. De gevolgen zijn ernaar: van de ruim 2100 artikelen over archeologie die sinds 2006 aan de orde zijn geweest in de Livius Nieuwsbrief (een overzicht van het oudheidkundig nieuws), bevatten er bijna 800 grote of kleine onjuistheden. Dat is bijna 40%.

Contaminatie

De vierde foutensoort is contaminatie met nietwetenschappelijke informatie. De wetenschappelijke methode streeft ernaar dat de conclusies waar zijn voor iedereen. De religieuze wijze van kennen is daarentegen gebaseerd op een openbaring (‘de tekst van dit heilige boek is waar’), die niet hoeft te worden aanvaard door iedereen. Wie de Bijbel dan toch letterlijk neemt, maakt zich schuldig aan deze redenatiefout. Dat hoeft een florissante maatschappelijke carrière overigens niet in de weg te staan. Het is bekend dat contaministen het bijvoorbeeld kunnen brengen tot hoogleraar in de hersenwetenschap.

Contaminatie kan ook plaatsvinden in de sfeer van het nationalisme. De Germaanse mythologie uit het negentiende eeuwse Duitsland is een ander voorbeeld, maar we mogen ook denken aan het filhellenisme, dat het belang van de Griekse cultuur vergrootte om zo de propaganda van de ‘Romein’ Napoleon te weerleggen. Verschillende van zulke beweringen worden nog steeds herhaald.

 

Verouderde informatie

De laatste categorie vergissing is de verspreiding van verouderde informatie. Voorbeelden zijn dat natuurgodsdiensten de oudste vorm van religie zijn, dat de herkomst van de Etrusken onbekend is (Klein-Azië, bewezen met DNA-onderzoek van mensen én dieren), dat er in Babylon hangende tuinen waren (alleen vermeld in elimineerbare bronnen), dat Pythagoras als eerste een bewijs vond voor de naar hem genoemde stelling (de Babyloniërs wisten al dat het principe algemeen geldig was), dat antieke oorlogsschepen elkaar in zeeslagen ramden (alleen in het oude Athene), dat Alexander heel Persepolis verwoestte (blijkt niet uit de opgraving), dat Hannibal met 90.000 man Spanje verliet (overdreven cijfers), dat farizeeën gehelleniseerde Joden waren (dit is zo absurd dat het geen uitleg nodig heeft), dat de Romeinen de Elbe als grens wilden nemen (staat niet in de bronnen, blijkt niet uit de archeologische vondsten), dat Canninefaten ‘konijnenvangers’ betekent (het konijn kwam nog niet voor), dat Pontius Pilatus procurator was (hij was prefect), dat het Negende Legioen Hispana ten onder ging in Schotland (het is overgeplaatst naar Nijmegen), of dat Atilla weg ging van Rome na een visioen van Petrus en Paulus (staat alleen op een fresco van Rafaël).

De hoeveelheid desinformatie is eindeloos. Wat er erg aan is, is dat al deze voorbeelden – en nog vijftig andere, die ik heb verzameld in mijn boekje Spijkers op laag water – zijn te vinden in het oeuvre van mensen die in de geschiedenis of klassieke talen of archeologie zijn gepromoveerd.

 

Hoe erg is de pseudowetenschap?

Laten we terugkeren naar de stelling waarmee we begonnen: dat pseudowetenschap gevaarlijk is. De eerste stap die we moeten zetten, is natuurlijk zelfkritiek. Pseudowetenschap valt op, dat is zeker. Maar is ze representatief voor de reëel bestaande desinformatie? Schwabs ongelukkige optreden was bijvoorbeeld een geval van contaminatie; wanneer classici zich uitlaten over de oude geschiedenis, vervallen ze al snel tot kwakgeschiedenis; archeologen zijn de groot-meesters van de overdrijving. De tweede stap moet dus zijn dat we onderzoeken hoe frequent de verschillende soorten desinformatie voorkomen. Dit onderzoek is tot op heden achterwege gebleven.

We staan echter niet met geheel lege handen, want we beschikken over twee bronnen waaruit we de frequentie kunnen afleiden waarmee de verschillende soorten desinformatie voorkomen. De eerste is de al genoemde Livius Nieuwsbrief, die vermoedelijk een redelijk beeld geeft van wat de media over de Oudheid te melden hebben. Zoals gezegd is een kleine 40% van de archeologisch berichten niet accuraat. Daarnaast is er de correspondentie van Livius.org. Deze website – ik ben er webmaster – is makkelijk te bereiken en heeft sinds 1994 ruim 4000 vragen over de Babyloniërs, Egyptenaren, Joden, Perzen, Grieken en Romeinen te beantwoorden gekregen. Dat kan gaan om de vraag welke oudheden er te zien zijn tijdens een vakantie in Clermont-Ferrand, maar ook om al dan niet terechte voorstellen tot correcties op de Livius-website of verzoeken om opheldering van een bepaalde kwestie. Iets minder dan driekwart van de vragen blijkt voort te komen uit misverstanden, die weer zijn te verdelen over de vijf genoemde categorieën, die in de mail duidelijk herkenbaar naar voren komen.

Van de ruim 3000 mailtjes waaruit misverstanden kunnen worden afgeleid, veronderstellen er slechts 239 pseudowetenschap, waarbij ook nog sprake is van een dalende lijn. Deze neergang komt vermoedelijk overeen met de meer algemene neergang van de pseudowetenschappen. De ufologie is niet meer wat ze was in de jaren zeventig, de aandacht voor herinneringen aan eerdere levens is op zijn retour, Trofim Lysenko is vergeten, Jomanda heeft geen werkelijke navolgers meer en van de Bermudadriehoek is de laatste tijd ook niet veel vernomen. Pseudowetenschap valt op, zeker, maar ze lijkt op haar retour.

Daarentegen blijkt bijna 70% van de misverstanden samen te hangen met verouderde informatie, waarvan ook weer zo’n 70% afkomstig is van gepromoveerden. Het zijn dus niet de pseudohistorici die een probleem vormen, maar het lijkt te gaan om academici die hun zaken niet op orde hebben. Dat is een verontrustende conclusie.

De derde stap is natuurlijk de vraag waar deze cijfers voor staan. Zoals de stelling ‘pseudowetenschap is belangrijk’ is gebaseerd op datgene wat we – omdat het zo opvallend is – het eerst zien, zo is ‘verouderde informatie is veel frequenter’ gebaseerd op de eerste de beste cijfers. Ik heb momenteel geen idee wat die cijfers representeren. Stap vier zal een bredere analyse moeten zijn. Tot die stap is gezet, is het in elk geval intrigerend dat de stelling ‘pseudowetenschap is belangrijk’ meteen bij de eerste poging haar te toetsen, het loodje lijkt te leggen.

Jona Lendering

Jona Lendering studeerde geschiedenis en oudheidkunde, en is als oudhistoricus werkzaam voor Livius Onderwijs. Begin januari verschijnt van zijn hand een boek met de onmogelijke titel De klad in de klassieken. Waarom onze kennis van de Oudheid onbetrouwbaarder wordt, waarom dat zorgwekkend is (ook voor wie niet in de Oudheid is geïnteresseerd) en hoe daar nog iets aan kan worden gedaan.

Enkele andere werken van Lendering

– Archeologie van de futurologie (2000)
– Polderdenken. De wortels van de Nederlandse overlegcultuur (2005)
– Vergeten erfenis. Oosterse wortels van de westerse beschaving (2009)

Meer weten over de brandspiegel van Archimedes?

-J. Lendering, Spijkers op laag water (2009) 40-42.
-D.B. Campell, ‘Smoke and Mirrors. Archimedes’ Secret Weapons’, in: Ancient Warfare 5/3 (2011) 46-51

 

Bestel Spijkers op laag water, 50 misstanden over de oudheid online

 

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *