Onderwijs voor blinden en doven

Blind of doof? Dan kon je maar beter niet in de Oudheid of Middeleeuwen geboren worden. Je werd buitengesloten, bespot en vernederd. Men dacht dat doven en blinden niet konden leren en dus was er lang geen geschikt onderwijs voor hen. Tegenwoordig zijn er goede lessystemen en speciale doven- en blindenscholen. Dit artikel geeft antwoord op de vraag hoe het onderwijs voor mensen met een auditieve of visuele handicap zich vanaf de Middeleeuwen heeft ontwikkeld.

Mandy de Waal

Middeleeuwen (± 500-1500)

In de Middeleeuwen werden doven en blinden veelal niet als volwaardige mensen gezien. Net als kreupelen weken zij af van de algemene normen en waarden en leefden dus een moeilijk bestaan. Op basis van nieuwe christelijke ideeën konden doven aan de ene kant rekenen op medelijden en liefdadigheid van vele mensen, maar aan de andere kant werden zij op basis van dezelfde ideeën juist uitgesloten. Doven konden namelijk geen lid worden van een kerkelijke geloofsgemeenschap, omdat zij het geloofsverhaal niet konden horen. Hierdoor werden zij buiten de maatschappij geplaatst. Ze mochten niet trouwen, geen kinderen krijgen en ze hadden geen recht op een erfenis. Pas in de twaalfde eeuw kregen zij toestemming te trouwen in de kerk. Ook in de latere Middeleeuwen dacht men nog dat doven niets konden leren. Ze mochten daarom geen lid worden van een gilde.

Ook blinden hadden het niet gemakkelijk in de Middeleeuwen. Men dacht dat blindheid een straf van god was voor voornamelijk seksuele zonden. Beulen staken de ogen van mensen uit, omdat men meende dat als mensen hun visuele prikkels verloren, ook de seksuele prikkels zouden verdwijnen. Veel doven en blinden konden niet aan een baan komen en probeerden daarom tot in de achttiende eeuw te overleven als bedelaar. Ook konden ze zich tegen betaling uit laten lachen op kermissen en jaarmarkten.

 

Nieuwe tijden (± 1500-1780)

De Italiaanse arts Hiëronymus Cardanus (1501-1576) beweerde dat je niet per se hoefde te horen om ideeën te begrijpen. Hij stelde dat dove mensen konden leren lezen, en dat zij de ideeën via het schrift konden leren begrijpen. Langzamerhand kreeg de opvatting dat doven zichzelf wel degelijk konden ontwikkelen als ze de kans kregen, steeds meer aanhang. Door deze opvatting gingen rijke, aristocratische families in Spanje doven toch onderwijzen. Alleen mensen die konden spreken, lezen en schrijven hadden namelijk recht op een erfenis. Door familieleden met een auditieve handicap te onderwijzen, konden zij ervoor zorgen dat het familiefortuin in de familie bleef.

Het dovenonderwijs was aanvankelijk alleen toegankelijk voor mensen in de hogere kringen. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw kregen in Frankrijk en Duitsland ook dove kinderen uit lagere klassen passend onderwijs. De eerste dovenschool in Nederland werd opgericht in 1790. Op sommige scholen ontstonden ook afdelingen voor blinde kinderen, zoals in Brugge in 1836. In Amsterdam werd in 1808 de eerste Nederlandse blindenschool geopend.

 

Volksonderwijs voor dove kinderen (± 1780-1850)

Diderots; Lettre sur les aveugles
Diderots; Lettre sur les aveugles

Denis Diderot (1713-1784) sprak algemene opvatting dat mensen met een zintuiglijke handicap niet even goed zouden kunnen denken als gezonde mensen tegen. Doven konden zich volgens hem via andere zintuigen prima ontwikkelen en mochten dus niet meer uitgesloten worden. Vanaf 1770 ontstonden in Frankrijk de eerste initiatieven voor volksonderwijs voor dove en blinde kinderen.

 

De Franse gebarenmethode

De Franse priester Charles Michel de l’Epée (1712-1789) wordt gezien als één van de belangrijkste pioniers op het gebied van het volksonderwijs aan dove kinderen. Hij wilde de spontane gebarentaal van de leerlingen uitbreiden. Ook gezichtsuitdrukkingen moesten de auditieve beperking compenseren. De l’Epée had grote bezwaren tegen het verplicht leren spreken van doven. Hij vond dat daarmee kostbare tijd verloren ging. De l’Epée breidde tevens de gebarentaal uit met de Signes Méthodiques, een zelfontworpen handalfabet dat de Franse taal samen met gebaren kon visualiseren. Na uitbreiding van dit alfabet door Roch-Ambroise Sicard (1742-1822) werd deze methode bekend als de Franse gebarenmethode. De beroemde school van De l’Epée en Sicard werd gezien als het begin van volksonderwijs aan dove kinderen. Er ontstonden steeds meer scholen voor kinderen die niet konden horen in Frankrijk. Ook in het buitenland werden de eerste schooltjes opgericht. In Nederland werd de eerste in 1790 in Groningen geopend.

 

De Duitse klankmethode

In Duitsland gebruikte men een heel andere onderwijsmethode dan in Frankrijk. Volgens de invloedrijkste persoon op het gebied van volksonderwijs aan dove kinderen, Samuel Heinicke (1727-1790) was denken uitsluitend mogelijk via spreken. In zijn onderwijsmethode, ook wel de klankmethode genoemd, stond spreken dus centraal. Volgens hem moest de natuurlijke volgorde van het leren van een taal gevolgd worden. Eerst moesten doven dus leren spreken en daarna pas leren lezen.

Methodestrijd

Thomas Edison blinden en slechthorenden, galapas, Mandy de Waal
Thomas Edison (1847-1931)
Thomas Edison omarmde zijn doofheid. Hij noemde het zijn paspoort naar het innerlijke leven. Edison hield er soms nogal een vreemde methode op na om geluiden te voelen: zo beoordeelde hij audities van pianisten door met zijn tanden de vleugel vast te bijten, zodat hij de trillingen in zijn hersenen voelde weerkaatsen.

Er brak een hevige strijd uit tussen de Franse gebarenmethode en de Duitse klankmethode. In 1880 werd in Milaan de orale Duitse methode als enige aanvaardbare methode erkend. Alleen sprekende leraren mochten echter stemmen, omdat dove leraren bevooroordeeld zouden zijn. Een aantal jaar later werden alle dove leraren uit het dovenonderwijs gezet. De dove kinderen kregen vanaf toen dus alleen nog maar les van horenden, wat, zoals later bleek, een negatief effect had op de resultaten van de leerlingen.

In de jaren ’70 van de vorige eeuw blinden’) dat blinden niet ondergeschikt dienen te zijn aan mensen zonder zintuiglijke beperking. Hij stelde dat blinden net als ‘gewone’ mensen kennis over hun omgeving ontwikkelden en daarover nadachten. Zij konden prima studeren en deden niet onder voor andere mensen.

Ongeveer dertig jaar later richtte Valentin Haüy (1745-1822) in Parijs een volksschooltje voor blinde kinderen op, net zoals De l’Epée had gedaan voor dove kinderen. In 1771 was hij getuige van een vernederend schouwspel: blinden werden met ezelsoren en gekke brillen voor een café geplaatst om klanten te trekken. Haüy vond dit zo vreselijk, dat hij besloot blinde kinderen les te geven. Haüy leerde een zestienjarige bedelaar lezen met beweegbare houten letters. Dit was een doorbraak, want hiermee werd bewezen dat blinde kinderen dus toch konden leren lezen. In 1785 werd het Institution des Jeunes Aveugles in Parijs geopend. Haüy gaf daar les aan twaalf leerlingen.

Haüy leerde de blinde kinderen lezen met loden lettertekens waarmee woorden en zinnen konden worden gemaakt. Hij maakte ook boeken door de letters op stevig, vochtig papier te drukken. De letters kwamen op die manier in reliëf naar boven, zodat de kinderen ze konden voelen. Erg handig waren de boeken van Haüy niet: ze waren zo’n 65 bij 50 centimeter groot en wogen vier á vijf kilo.

Toch was de onderwijsmethode van Haüy niet perfect. Hij ging uit van de leesmethode voor kinderen die wél konden zien en dat zorgde voor problemen.

Louis Braille groot

Louis Braille (1809-1852) ontwierp een nieuw schrift, dat gebaseerd was op de behoeften van blinde kinderen in plaats van op die van ‘normale’ kinderen (zie kader Louis Braille). Zijn schrift, later het brailleschrift genoemd, markeerde een nieuwe fase in het onderwijs voor blinde kinderen.

Aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw openden meer blindenscholen hun deuren in West- Europese steden, zoals Liverpool (1791), Londen (1799), Berlijn (1806) en Amsterdam (1808).

Anno 2012

In het begin van de vorige eeuw wezen ‘normale’ scholen kinderen met een zintuiglijke handicap vaak af. Zij werden naar het speciale onderwijs gestuurd. Tegenwoordig werken de twee onderwijssystemen beter samen. Kinderen met een (zintuiglijke) handicap kunnen op een school naar keuze een aan hun behoeften aangepaste leerweg volgen. Zij hoeven dus niet meer per se naar speciale doven- of blindenscholen. Het lijkt er dus op dat doven en blinden steeds meer geaccepteerd worden in onze maatschappij.

Geraadpleegde literatuur

 

Wuyts, B. Over narren, kreupelen, doven en blinden. Leven met een handicap van de Oudheid tot nu (Leuven: Davidsfonds 2005).

 

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *